Antibioticumresistentie

Het gebruik van antimicrobiële middelen geeft aanleiding tot de ontwikkeling en selectie van resistentie van bacteriën tegen deze antibiotica. Door middel van co-selectie (co-resistentie of kruisresistentie) kunnen bacteriën ook ongevoelig worden aan andere (evt. verwante) antibiotica.

Verder spelen natuurlijk verschillende risicofactoren een rol, zowel in de persistentie als in de spreiding van antimicrobiële resistentie. Onder andere stress, voeding, hygiëne en huisvesting zijn enkele voorbeelden hiervan.

Resistentie van bacteriën tegen antibiotica kan “natuurlijk” zijn. Dit betekent dat het antibioticum van nature niet in staat is om de bacterie doeltreffend aan te vallen, bijvoorbeeld omdat de bacterie niet over de juiste aangrijpingspunten beschikt, penetratie van het antibioticum niet afdoende mogelijk is of omdat de bacterie natuurlijke neutraliserende enzymen aanmaakt.

Resistentie kan ook “verworven” zijn. De bacterie heeft dan een eigenschap verworven, door een verandering in het erfelijke materiaal of het verkrijgen van vreemd DNA materiaal, die ervoor zorgt dat het antibioticum minder goed (of niet) werkt.

Voornamelijk deze laatste vorm van resistentie baart zorgen, zowel humaan als veterinair, aangezien in een gevoelige populatie het risico bestaat dat door blootstelling aan antibiotica een selectie optreedt van de resistente bacteriën die zich vervolgens binnen de dierpopulatie kunnen verspreiden.

Risico’s van resistentie

Veterinair zal resistentie de grootste problematiek geven in het kader van therapiefalen, waardoor verhoogde kosten, verlies van dieren, daling van de productiviteit en dierenwelzijn, etc. gezien zullen worden.

Humaan kunnen problemen ontstaan omdat resistente bacteriën van het dier op de mens over kunnen gaan. Dit kan rechtstreeks via zoönotische bacteriën (bacteriën van dieren die ziekte bij de mens kunnen veroorzaken) of onrechtstreeks doordat resistente dierlijke bacteriën resistentiegenen kunnen uitwisselen met menselijke bacteriën. Deze overdracht van resistentiegenen kan zowel via dierpathogenen, maar ook commensale bacteriën gaan. Daarnaast is verspreiding tussen mens en dier via de omgeving en de voeding ook een mogelijke route.

Gebruik van antibiotica

Gebruik van antibiotica is de belangrijkste stimulans voor resistentie ontwikkeling. Algemeen wordt aangenomen dat bij onder dosering de resistentieontwikkeling nog wordt gestimuleerd maar ook het gebruik in correcte doseringen zal de resistentieontwikkeling niet tegengaan.

Oplossingen

Oplossingen om de resistentie ontwikkeling tegen te gaan of zelfs resistentie uit te bannen zijn niet eenvoudig te noemen. Algemeen wordt aangenomen dat de reductie van het gebruik van antibiotica en het verantwoord inzetten van antibiotica een verbetering zullen geven.

 

Reductie van het antibioticumgebruik houdt in dat minder in groep behandeld moet worden en dat in belangrijke mate ingespeeld moet worden op het voorkómen van ziekte door middel van bioveiligheid, vaccinatie, etc.

Verantwoord antibioticumgebruik wil zeggen dat antibiotica alleen ingezet worden als daarvoor noodzaak is na diagnosestelling door een dierenarts en deze bij voorkeur bevestigd is met behulp van aanvullend onderzoek (bacteriologisch onderzoek en gevoeligheidsbepaling), dat voorzichtig omgesprongen wordt met breedspectrum antibiotica en dat erg potente middelen alleen als laatste redmiddel ingezet worden.

 

Ontdek volgende 'learning site' over antibioticaresistentie

Antimicrobial resistance learning site

 

Voorbeelden van resistentie

MRSA: Methicilline Resistente Staphylococcus Aureus

ESBL: Extended Spectrum Beta Lactamase

Rapporten Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en Agrochemie